Kerk Foudgum
 
Mariakerkfoudgum.nl
 


François HaverSchmidt

 

Een van de bekendste predikanten die de hervormde gemeente van Foudgum heeft gediend, van 1859 t/m 1862, is François HaverSchmidt (1835-1894), onder het pseudoniem van Piet Paaltjens schreef hij gedichten. Hij kwam in 1894 door zelfdoding om het leven. In de kerk wordt ook aandacht geschonken aan ds. HaverSchmidt.

    Francois Haverschmidt

 

François Haverschmidt werd op 14 februari 1835 in Leeuwarden geboren. Hij was de zesde uit een gezin van zeven kinderen: vier jongens en drie meisjes. Zijn vader was apotheker, later ook wijnhandelaar. Zijn moeder Geesje Bekius stamde uit een familie waarin het predikantsambt even overerfelijk scheen als de zwaarmoedigheid.
HaverSchmidt is eigenlijk een dubbele naam, hetgeen in de ook nu nog vaak gehanteerde schrijfwijze duidelijk zichtbaar is. De eerste die deze (dubbele) naam voerde, was François' grootvader Johannes Hermanus. Diens vader van heette Haver en hij werd opgevoed door een oom met de achternaam Schmidt. Uit dank voegde hij Schmidt achter Haver, met als resultaat HaverSchmidt.

HaverSchmidt ging in Leeuwarden naar het gymnasium en in 1851 deed hij in Delft staatsexamen, het toelatingsexamen voor de universiteit. Zijn ouders vonden hem nog te jong om te gaan studeren, hij was toen pas zestien, en daarom bleef HaverSchmidt nog een jaar in Leeuwarden. In die tijd las hij veel, vooral werken van Heine, Goethe, Schiller, Hugo en Dickens. Ook hield hij veel redevoeringen in Leeuwarden bij de gymnasiastenvereniging Minerva Nos Jungit.

Op 21 september 1852 werd HaverSchmidt in Leiden ingeschreven als student in de theologie. Hij woonde boven Van Eijk, 'gepantenteerd doodbidder en noder ter begrafenisse'.
Bij de eerste publicatie in de Studenten-almanak voor het jaar 1856 liet HaverSchmidt zijn medestudenten kennis maken met Piet Paaltjens in ‘Bloemlezing uit de dichterlijke nalatenschap van Piet Paaltjens’. In het ‘Voorberigt’, waarmee de bloemlezing begon, werd de nog onbekende dichter aan het publiek voorgesteld. Deze woonde, hoe toevallig, ook op de Hogewoerd boven een bidder. HaverSchmidt deed voorkomen of hij een ruime keuze kon maken uit het nagelaten werk van Paaltjens en dat hij daarvan slechts negen verzen heeft gepubliceerd (Almanak, 1856, p. 238-252). In de almanak van 1857 zijn het gedicht ‘Des zangers min’ en komische tekeningen gesigneerd met FH opgenomen.

Op 4 juli 1858 nam HaverSchmidt afscheid van Leiden omdat hij klaar was met zijn studie. Hij vertrok naar Leeuwarden en trok daar tijdelijk in bij zijn zus Adriana. In oktober legde hij zijn kerkelijk examen af, vanaf dat moment kon hij worden beroepen als dominee. HaverSchmidt heeft zijn studententijd in Leiden nooit kunnen vergeten. In een brief aan een van zijn studievrienden, Van der Kaay, sprak hij over deze tijd met de woorden: ‘Tóen was ik waarlijk gelukkig’. 

In juli 1859 deed hij zijn intrede in Foudgum, een nogal kaal, op een terp gelegen dorp. Hij bleef er tot december 1862. Vooral in de eerste tijd moet HaverSchmidt zich bijzonder verdrietig hebben gevoeld, veel treuriger dan uit zijn voordracht blijkt die hij twintig jaar later in Schiedam hield en waarin hij bijna vriendelijk over zijn eerste gemeente sprak. Het enige voordeel van Foudgum was, dat het niet zover van Leeuwarden lag. Iedere zondag na de dienst wandelde hij erheen, weer of geen weer. 

In 1862 verloofde HaverSchmidt zich met Jacoba 'Koos' Osti. Tijdens zijn predikantschap in Den Helder trad hij in het huwelijk met haar op 6 augustus 1863. Hij blijft in Den Helder tot juli 1864. 

Van augustus 1864 tot zijn dood op 19 januari 1894 was HaverSchmidt predikant in Schiedam. Zijn drie kinderen werden in Schiedam geboren: Margot (1864), Nico (1866) en François (1869). Op 29 juli 1868 overleed Nico, hij was nog geen twee jaar oud geworden en deze gebeurtenis greep HaverSchmidt erg aan. 

HaverSchmidt was een kwetsbaar, gevoelig mens, had aanleg voor zwaarmoedigheid en was geobsedeerd door de dood. In zijn preken kwam regelmatig het onderwerp 'zelfmoord' aan de orde, HaverSchmidt stelde zich de dood voor als een 'worgengel'. Maar toch kon HaverSchmidt ook heel vrolijk en geestig zijn. 
In de jaren 1870 en 1871 had hij gedurende zeven maanden een depressie en kon niet werken. Om te herstellen bracht hij samen met zijn gezin de zomer door in Beekhuizen.
De depressies bleven terugkomen en rond 1890 kreeg hij er steeds vaker last van. Vooral na het overlijden van zijn vrouw in juni 1891 ging het niet goed met HaverSchmidt.  Vanaf de zomer van 1893 leed hij aan een depressie. Op 19 januari 1894 gaf hij de strijd met de worgengel op, hij hing zichzelf op aan het gordijnkoord van de bedstee.  


Op youtube staan een een leuke filmpje:
Aan Rika



 






HaverSchmidt en Foudgum.




Handtekening



 


 HaverSchmidt's traktement in Foudgum: Fl. 50,- per jaar.


Traktement

 


HaverSchmidt hield op 3 februari 1881 voor de Vereniging Paulus een voordracht over 'Mijn eerste gemeente':



 Tekening Haverschmidt Foudgum 1892

Schiedam, 1 maart 1893.

Nu we met ons drieën zijn, lees ik voor, meestal uit Dickens, mijn oude liefde. Weet ge nog wel, dat gij er mij te Foudgum uit voorlaast: uit Pickwick? Onderwijl ving ik een half dozijn muizen!

Van Foudgum gesproken, ik ben daar in september j.l. nog eens geweest. Ik had moeten preken te Oosterbeek, Groningen en Hoogeveen, en knoopte daar een voetreisje door de Oostelijke provincie aan vast. Eerst logeerde ik enige dagen bij Fangman, daarna op het Schol bij Deventer, als gast van Rudolf van Marle, en vervolgens zocht ik familieleden te Assen, Groningen, Zuidhorn en Dokkum en Leeuwarden op. Het was een aardige uitstap, vol herleefde herinneringen. Te Foudgum en Raard vond ik slechts een paar oude vrienden terug. De rest rustte op het kerkhof of was mij ontgroeid. De oude pastorie was gedeeltelijk afgebroken en in een timmerwinkel herschapen, de tuin grotendeels weggegraven. Een nieuwe woning voor de dominee, die nooit komen wil, wachtte al een jaar of tien zonder bewoner. Wel een beetje melancholiek! Gelukkig trof ik te Waaxens Riedel nog (hij is kort daarop emeritus geworden en woont nu te Lochem). Na een hartelijk maal bij die brave vriend vervolgde ik mijn reisje.

Ik zal er wel niet meer komen, maar het deed mij plezier, het plekje nog eens te zien, waar ik drie lange jaren in mijn eentje moest slijten.

 

Uit: Brief van HaverSchmidt aan zijn studievriend en collega Bouman te Eenigenbrug. 


Bronnen:
Rob Nieuwenhuys, De dominee en zijn Worgengel.
Koninklijke Bibliotheek, www.kb.nl

 

 

 

Kerk Foudgum