Kerk Foudgum
 
Mariakerkfoudgum.nl
 


Mijn eerste gemeente

Hoe wonderlijk kan het mij zijn, als ik weer eens denk aan mijn eerste gemeente, aan het dorpje waar ik drie jaren ruim van mijn besten tijd in stille afzondering heb doorgebracht.

Wat die jaren voor mij geweest zijn, en of ik er mee gedaan heb wat ik er mee had kunnen en moeten doen: dit zijn vragen, waar een ander nu juist niet mee te maken heeft. Allerminst ook zou ik ze onpartijdig kunnen beantwoorden. Doch wat verbiedt mij, ditmaal eens hardop te dromen, van smmige dingen althans, die ik daarginds gezien en gevoeld heb, genoten en geleden? Gelukt het mij, ook maar eenigszins getrouw weer te geven wat er in mij omgaat, als ik aan mijn dorpje terug denk, dan zullen er gewis ook in uwe harten ook wel snaren worden aangeraakt. We zijn allen menschen en het menschelijke is aan niemand van ons vreemd.

Wel was het een dorpje, een zonderling klein plaatsje, waar de vrolijke student van weinige maanden tevoren zich op eenmaal, bijna zou ik zeggen heengebannen vond. Immers soms (al te dikwijls) scheen het mij als een oord van ballingschap. Dan kon ik de vogels benijden die er over heenvlogen, de wilden ganzen in den winter, wier geroep hoog in de lucht mij in de ooren klonk als een spottend: kom mee, met ons, de wijde wereld in! De spreeuwen in den nazomer die bij gansche zwermen, ruischend in allerlei vroolijke bochten, langs den hemel beschrijvend, hun reis ondernamen naar schoone, zuidelijker streken. Maar wanneer in het vroege voorjaar de eerste leeuweriken voor mijn voet opstegen en boven in de warme zonnestralen jubelde het van blijde lentezangen, dan vergat ik mijn verlatenheid en al mijn leed en ik zong mee, een psalm der dankbaarheid aan den Eeuwigen Schepper; ook wel eens misschien, zonder er om te denken, van een liedje, dat ik vroeger met mijn akademiebroeders gezongen had.

Ach, mijn arm hart werd geslingerd, rechts en links, en indien ik het u alles verhalen zou... Doch, ik herinner mij weer dat ik voor allerlei ooren spreek, en ik keer terug tot mijn dorpje, dat zoo klein was, z klein dat het haast niet eens een dorpje heten mocht.

Het lag op en tegen een terp, een van die hoogten, waarvan men zegt dat onze vaderen ze in overoude tijden hebben opgeworpen om er een toevlucht te vinden als de zee het land overstroomde. Dit is zeker, dat de zee dicht genoeg bij was, en als ik 's avonds laat of 's nachts langs het voetpad door de weiden ging, zag ik duidelijk het licht in den vuurtoren op een van de eilanden. Ook hoorde ik, wanneer de wind uit het Noorden kwam, het doffe gerucht van de golven die tegen het strand braken, zodat het wel geen twijfel leed of, als er geen zware dijk was geweest om hen te keeren, zij bij hooge vloeden nog den ganschen omtrek onder water hadden gezet. Groot moeten eenmaal de werkzaamheid en de taaie volharding van die vroegere bewoners geweest zijn, wier middelen om den grond op te hoogen bovendien zeker veel te wenschen overlieten. Ik verwonder er mij over, vooral wanneer ik bedenk dat deze vluchtheuvels zich in grooten getale op doorgaans nog geen half uur van elkaar verwijderd, langs de gehele zeekust tot diep landwaarts in verheffen. Die oude Friezen hadden hun land wel lief, wat trouwens hun nakomelingen niet minder doen. En wie onder dezen het hebben vaarwel gezegd om bijvoorbeeld in de Vereenigde Staten (van Noord Amerika) een beter bestaan te zoeken, al zijn ze daarginds ook ng zoo gelukkig geslaagd, zij hebben nog altoos moeite de terp te vergeten, die hen geboren zag worden. Wellicht gelukt het hun nimmer geheel. Het is dan ook een goed land, waarover ik spreek. De zee heeft er een dikke kleilaag over heen geworpen, die de vlijt van den landbouwer ruim beloont of aan zijn wei uitstekende weiden biedt, terwijl de zachte golving van het terrein, gevolg van de kunstmatige ophoogingen, van den top der terpen een schilderachtig vergezicht kan bieden. Alleen boomgewas is er te schaarsch, en blijft zelfs onbeduidend waar, meer naar het Zuiden, veen en zand de klei vervangen. Wl heet het daar `de wouden', een naam die herinnert aan de bosschen, voor eeuwen misschien al door stormen geveld of door menschenhand uitgeroeid. Slechts laag elzen- of eikenhakhout omzoomt er nog de akkers en grasvelden en wie er dichte, lommerrijke lanen ging zoeken, zou er lang kunnen dwalen.

Zoo een ver uitgestrekte ruimte was het, die mijn blik kon overzien, als ik van een der beide zolderkamertjes in de oude pastorie mijn oogen over het landschap liet gaan. Alleen de naaste omgeving der boerenhofsteden (hier boerenplaatsen of kortaf plaatsen genoemd) ging ten deele in geboomte schuil, waarboven het rieten of bij de nieuwere gebouwen het pannen dak van de schuur, tevens stalling, hoog uitstak. Daartusschen in eindelooze akkers of weiden, waarvan de eersten, vooral als het koolzaad of het vlas in bloei stond, een bekoorlijke afwisseling gaven, terwijl van de laatsten in den hooitijd een zoete geur omhoogsteeg of wel een, uit de verte niet onwelluidend, geloei tot u doordrong, als de koeien verlangden gemolken te worden. Dan heb ik daar wel gestaan, voor het dakvenster, tegen den avond, of 's morgens al heel vroeg, en werd niet moe het kalme tooneel te beschouwen. Ik bemerkte de maaiers hier of daar, de ploeg ging over het glooiend stoppelveld; zwaar beladen wagens rolden langzaam voort op den landweg en brachten den oogst binnen en over dat alles snelden de schaduwen heen der wolken, zich haastend om plaats te maken voor het heerlijke, gouden zonnelicht. - Ach, waarom stond ik daar dan alleen en was er niet eene die met mij de pastorie deelde? 't Is waar, in de keuken zat een trouwe meid-huishoudster die voor mij door het vuur zou gelopen zijn. Doch dat was het toch juist niet wat ik het meest behoefde! Maar ik wend mij weer af van wat u immers geen belang inboezemt, en al waart gij er nieuwsgierig naar, ik zou het u toch niet mogen of willen vertellen en ik kijk dus maar liever eens rond met u over de terp, hoe mijn dorpje er eigenlijk wel uitzag.

Ik had, laat mij dat eerst nog eens even zeggen, ik had bovendien nog een ander dorp dat ook tot mijn gemeente behoorde. Dat lag een drie kwartier zuidwaarts van mijn woning, aan den zoom van de boomlooze `wouden'. Doch, al heb ik steeds mijn best gedaan mijn arbeid zo eerlijk mogelijk over allebei mijn dorpjes te verdeelen, daarginder heb ik mij toch nooit zoo thuis gevoeld, en als ik van `mijn dorpje' droom, dan droom ik van het plekje, waarvan mijn pastorie het nederig middelpunt vormde.

Wel was het een onaanzienlijk plaatsje. Een van mijn academievrienden die mij een bezoek kwam brengen, liep het rakelings voorbij zonder het op te merken en eerst in het volgende dorp vernam hij dat hij er midden doorheen was gegaan. Naast de pastorie (een lang gebouw met ne lage verdieping, verborgen in het groen, waarmee de moestuin omzoomd was), daarnaast dan het kerkhof met het kerkje. Aan de andere zij, hoogstens, een tiental arbeiderswoningen, de meeste wijd uiteengespreid en enkelen geen beter naam waardig dan van hutten of schuurtjes. Bij het kerkhof nog een huisje, waarin de ruim zeventigjarige meester woonde, wiens tuin met bijenstal aan mijn hof paalde. Meesters huis omvat een vertrek, dat als school dienst doet. Daar catechiseer ik in den winter 's avonds voor de boerenzonen en knechten, die ten getale van een dozijn het schooltje zoowat vullen. Van de zoldering hangen bossen gedroogde boonen en erwten, die in 't voorjaar zaad zullen leveren voor meesters tuin. Ook schommelen er een paar oude vetlaarzen, en helpen mij het rechtopstaan bemoeielijken. In een ruw blok hout steekt een smeerkaars: dat is de verlichting die soms bij het snuiten van de kaars geheel uitgaat. Maar een potkachel staat rood van de turven die daarbinnen aan de vlammen zijn prijsgegeven, en een achtste part van een zwavelstok is spoedig aan zijn gloeiend buikje ontstoken om de smeerkaars weer aan 't branden te krijgen. Hier geef ik ook op maandagmiddag godsdienstonderwijs aan de schooljeugd en leer ik haar meteen de tafels van vermenigvuldiging, waarvan men voor mijn komst op mijn dorp nooit iets gehoord heeft. Meester is eigenlijk van afkomst schoenmaker en dat hij lang een soort van veldwachter was, bewijst een oude sabel die aan den wand hangt van zijn huiskamer. Doch - ik zou nu niet van meester, maar van mijn dorpje vertellen - en ik moet u dus nog zeggen dat er aan den voet van de terp drie boerderijen gelegen zijn: een aan den noordelijken, een aan den westelijken en een aan den zuidkant, en dat aan de opengebleven zijde de timmerman woont wiens vrouw meteen een winkeltje houdt waar ge zout, zeep, sterken drank en dan nog zoo wat van 't allernoodigste krijgen kunt. Bevreemdt het u nu nog dat men mijn dorpje voorbij kon lopen zonder het te zien? Een eigenlijke kom of buurt is er niet, en wanneer men de twee boerenplaatsen die meer landinwaarts liggen, en een half dozijn huisjes, die nog verder af verstrooid zijn, meerekent, krijgt men in zijn geheel een bevolking van nog lang geen honderdvijftig zielen. De voornaamsten van dezen zijn natuurlijk de vijf boeren, en wel vooral de vier die op hun eigen erf wonen, waarbij dan de timmerman komt en de meester. De overigen zijn min of meer behoeftige arbeidersgezinnen. Bezien wij echter, alvorens bij de dorpelingen stil te staan, het reeds genoemde kerkje nog eens, waarin ik 's winters voor de groote meisjes catechiseer en 's Zondags geregeld eenmaal preek (evenals ik ook iederen Zondag in de kerk van het andere dorpje optreed.) Er staat een dik tufstenen torentje bij, met (op Friesche wijze) een gewoon pannen dak. Boven, omtrent de klok, huist een menigte blauwe duiven, waarvan de meester soms de jongen uithaalt om ze altoos opgegeten te hebben als hij zich te binnen brengt dat hij er mij wel eens mee had kunnen verrassen.

Meester is, dat spreekt, klokkeluider, behalve bij gelegenheid van een begrafenis, wanneer de buren zich 's avonds te voren en gedurende de plechtigheid, soms wel een half uur lang, van dien plicht kwijten. Voorts vervult de onderwijzer het ambt van koster en voorzanger, waartoe, namelijk om voor te lezen en te zingen, hij zijn hoogen hoed afzet, die hij anders, in hitte en storm, bij huisarbeid en onderwijs, in huis en op visite, geregeld ophoudt. Lacht evenwel niet om mijn ouden buurman, die als hij 't beleeft Zondag zesennegentig wordt, want hij is altoos een oprecht vriend van mij geweest. Als ik 's winteravonds uit de catechisatie kwam, deelde hij trouw met mij zijn groote ijzeren plaatstoof, en het is gebeurd dat hij mij zijn baleinen doorsteker aanbood toen mijn goudsche pijp met baaitabak verstopt was geraakt, welke balein door hem bewaard werd in zijn onafscheidelijken hoed. Ook heeft hij mij de geheimen meegedeeld van het aardappelpoten, het boonenleggen en het wortelzaaien, en zulk schandelijk weer kon het niet zijn, als ik, dwars door regen en modder, naar het andere dorp te kerk moest, of meester stapte voor mij uit, met een brandende pijpekop tot neuswarmer en natuurlijk zijn eeuwigen hoed als wegwijzer in nevel en sneeuwjacht.

Binnen in het kerkje was niets bijzonders te zien. Als er ooit gedenkteekenen van een vroegere eeredienst of van een aanzienlijk geslacht te vinden waren, dan had men die schoon opgeruimd. Ik herinner mij in naburige dorpskerken grafschriften te hebben ontcijferd van edellieden die den dood hadden gevonden in den vrijheidsoorlog tegen Spanje. Ook ontdekte ik ergens in den toren een middeleeuwsch steenen doopvont, maar hier niets dat hooger opklom dan tot de jongste vertimmering, een vijfentwintig jaar geleden. Merkwaardig was de verf der banken, die nog altoos na dien tijd bleef afgeven, maar verder hoegenaamd niets dat vermelding verdient. De plaats waar het orgel had kunnen worden aangebracht, was een galerij gezegd: `kraak', waarop nooit iemand zat, behalve eens een lid van een commissie uit den kerkeraad eener vakante gemeente die mij kwam `hooren', maar welk lid zich met groot gestommel verwijderde, toen ik als nazang geen psalm opgaf. Om de kerk het kleine kerkhof, de begraafplaats van het dorp, waar ik meer dan n naar zijn laatste rustplaats heb helpen brengen. Want dit was de taak van den dominee: den stoet achter de kist te openen en dan driemaal het kerkhof rond te trekken, gevolgd door de mannen en de in rouwkleeden gehulde vrouwen. Ik heb er ouden en afgeleefden heengeleid, maar ook sterken en jongen. En nu denk ik aan ronde gezichtjes met roode wangen die daar lang zijn vergaan, en aan gulle gastvrouwen of trouwhartige vrienden die bij mijn afscheid hoopten dat ze mij nog wel eens terug zouden zien. Misschien heb ik hen ook nog wel eens weer mogen ontmoeten, maar nu is het dan toch voorgoed uit en het smart mij dat ik zoover af ben, en mij ten minste niet nog eens het heuveltje kan laten wijzen of den steen waaronder zij begraven liggen.

Als ik 's nachts van het andere dorpje of van een bezoek aan een collega uit den omtrek, naar huis keerde, moest ik altoos over het kerkhof. Meer dan n krachtige kerel in de gemeente, om van de vrouwen maar te zwijgen, verbaasde en ergerde zich half over deze driestheid. Men kon het toch niet weten ... Wat meer zegt, men wist verhalen van gevallen die bewezen dat het op zoo'n begraafplaats niet recht pluis is. Over 't geheel: reizen om middernacht in het open veld was gevaarlijk, en om de waarheid te zeggen, heb ik het ook wel eens ondervonden. In sneeuw en mist ben ik eens het zwakke spoor over de weiden tusschen mijn beide dorpjes kwijt geraakt en misschien heb ik wel een uur lang in grooten angst gezocht eer ik het wedervond. En toen ik onlangs hoorde van die arme drommels die in den sneeuwstorm doodgevroren waren, bracht ik mij een oudejaarsnacht te binnen, waarin ik even te voren, te midden van den gezelligen huiselijken kring bij een ambtsbroeder, den nieuwen tijdkring welkom had helpen heeten en straks daarop zat ik in het donker tot over mijn middel in de sneeuw en ik voelde mij onder het vruchteloos worstelen om er uit te komen slaperig worden ... Toen had het weinig gescheeld of ik had den volgenden morgen niet op mijn preekstoel en hier nu niet voor u in deze katheder gestaan.

Zooeven had ik het over bijgeloovige vrees. Dit brengt mij weer op mijn dorpje, welks gebied door een smalle vaart in tween werd gesneden. Daar reden de schoolkinderen 's winters op schaatsen en een hoog smal brugje voerde naar een voetpad aan den overkant. Dit pad volgend, kwam men op een verlaten landweg en daar stond een hutje met een vervallen luifel ervoor, op welks rand iemand die het wist het opschrift kon ontcijferen: `de laatste stuiver.' Er was een overlevering, dat dit huis voorheen een herbergje was geweest en de glorie van de bewoonster was dat er eenmaal een koets met vier paarden had stilgehouden, in welke koets de gouverneur der provincie gezeten had. Overigens was de bijna honderdjarige Rinskemoei iemand zonder eenige aanmatiging, en als ze daar zoo zat met haat beide `berntjes' of kindertjes, zoals ze haar ruim zeventigjarige ongehuwde zonen, Rinze en Japik, noemde, dan zou men het haar niet hebben aangezegd, dat de gouverneur der provincie zijn dorstig vierspan aan haar pomp had doen laven.

Er viel een flauw schemerlicht zelfs op schitterende zomerdagen, door de groene, met spinnewebben en stof bedekte ruitjes van het eenige venster der `Laatste Stuiver', en in dien onzekeren glans hebben Rinske, Rinze en Japik mij meer dan eens de verborgenheden ontsluierd van een wereld, waarvan de meesten onzer, te midden van onze gasvlammen, veel te weinig afweten. Zij hebben mij uitgelegd, wat er gebeurt in den heiligen kerstnacht op de stallen, als iedereen gerust slaapt, behalve de koeien die allen met klokslag van twaalven neerknielen, terwijl de bijen wakker worden uit hun winterslaap en een deuntje zingen. Zij hadden ook waargenomen dat oude bedreven hanen altoos precies op hetzelfde uur in den nacht ontwaken en kraaien, zonder dat er een klok in de buurt is om hen te waarschuwen. En van lieden met een helm geboren, die onzichtbare begrafenissen zien en voorspoken, alsmede van een witte vrouw, en een veulen zonder kop, die men tegen kon komen omstreeks de overgebleven poort van een afgebroken `stins' of slot in de buurt, wisten zij griezelige bijzonderheden. Ik meld dit hier om volledigheid wille doch, daar het tegen den nacht loopt, haast ik mij om er van af te stappen.

Een merkwaardig persoon is ook Durk, de echtgenoot van Baje, de stuutrinner, of bollenvrouw, die van het andere dorpje dat een bakker rijk is, brood komt brengen. Durk is de eenige in de gemeente die van zijn leven in het tuchthuis heeft gezeten en hij geniet zelfs de onderscheiding van gegeeseld te zijn, hoewel hij het maar half verdiend had, want hij had zich alleen een paard toegeigend, en het daarna tegen een billijken prijs van de hand gedaan. Er is werkelijk niemand onder mijn gemeenteleden die beter, dat wil zeggen steedscher manieren heeft dan Durk. Als ik bij hem binnenkom staat hij onmiddellijk met de pet in de had en gaat zonder mijn uitdrukkelijke uitnoodiging niet weer zitten. En in den tijd van de kievietseieren is hij de eerste en de eenige die er om denkt mij die versnapering thuis te bezorgen, waarvoor hij dan zijn fooi slechts aanneemt onder protest dat dit anders niet gehoefd had. Laat mij evenwel niet verzuimen hierbij mede te deelen dat eens een rijke boer mij geen ei maar een heelen kieviet cadeau deed, dien hij bij ongeluk doodgeslagen had, en waarbij hij zich verontschuldigde met te zeggen, dat ze bij hem zoo'n beest niet lustten, en daarom, dacht hij, zou dominee het wel willen hebben. Ook bevond dominee bij die gelegenheid dat het wezenlijk zoo kwaad niet smaakte, hoewel hij, terwille van de eieren, wel wenschte, dat alle lekkerbekken er maar eveneens over dachten als die boer met zijn gezin.

Wat moet mijn leventje op het dorp arm aan afwisseling geweest zijn dat ik mij zulke nietigheden nu nog klaar te binnen brengen kan! En, als ik eerlijk wezen zal, herinner ik mij nog wel nietiger gebeurtenissen. Zooals van de muizen, die met mij en de huishoudster de pastorie bevolkten, en die gaten knaagden in mijn overhemden, totdat ik mij een kat aanschafte en allerlei soorten van vallen, waarin ik er soms een dozijn op n nacht ving. Ook werd ik bijgestaan in den verdelgingsoorlog tegen het schaamteloos gebroed door een uil die bij mij op den zolder huisde en akelige geluiden geven kon als van een schreiend kind. Maar daardoor ook werd mijn pastorie slechts te ongezelliger, wat zij tch al in voldoende mate was. Er was jaren geleden een stuk bijgebouwd dat den weidschen titel van de (of het) `zaal' voerde. Dit kon met eenige verbeeldingskracht voor een deftiger woonkamer doorgaan, maar het was er 's winters te koud en 's zomers ondragelijk warm. Daarom huisde ik liever in wat tevens mijn studeerkamer was, een donkerbruin geverfd vertrek met een hoogen zolder, door zware onregelmatige balken gesteund en met een schoorsteen of schouw, waaronder gerust vijfentwintig hammen en een onnoemelijk getal worsten hadden kunnen hangen. Er hing evenwel ham noch worst en als ik daar 's avonds alleen bij 't vuur zat, dacht ik wel eens aan dat verhaal van dien dominee die plotseling een paar beenen naar omlaag zag komen uit den schoorsteen, straks achtervolgd door het overige van een inbreker. De ongenoode gast keek nog wel zoo verbaasd op als de dominee dien hij zoo laat niet meer wakker had denken te vinden, en toen dominee hem zeer koelbloedig en met verstaanbaren aandrang, beval zich weer langs denzelfden weg te verwijderen als waardoor hij was gekomen, had hij daar eerst weinig lust in, maar hij was toch niet zoo goed of hij kroop den schoorsteen weer uit. Zooiets is mij evenwel nooit overkomen en het eenige, waarbij ik mijn heldenmoed heb kunnen toonen is geweest toen er op een avond zacht aan de klink van de achterdeur bij de keuken werd gerammeld. Was het iemand die zijn hof aan de huishoudster wilde maken? Maar in de eerste ontsteltenis (want de meid kwam mij met bleekbestorven kaken te hulp roepen) greep ik het voorsnijmes, stak het hoofd over de onderdeur in den zwarten nacht en donderde zoo bar mogelijk: `wie is daar?' Niets dan de wind die door de takken van een stoofpeer zuchtte en verschrikt van mijn eigen dapperheid deed ik gauw de deur weer dicht en op den grendel.

Nu ik van de stoofpeer heb gewaagd, moet ik ook nog even vertoeven onder de beide kersenbomen die de roem van mijn tuin uitmaakten. Ik heb later veel en velerlei kersen geproefd, want ik ben er een liefhebber van. In Geldersche boomgaarden heb ik mij overtuigd, dat men van deze vrucht net zooveel eten kan als men maar bij mogelijkheid lust, of juister, dat men er zich wel moe aan kan smullen, maar nimmer verzadigen. Doch nooit ofte nergens heb ik zulke kersen gezien en genoten als die er aan mijn beide boomen groeiden. Helaas, ze zijn nu ter ziele. Toen ik voor een jaar of drie een bezoek bracht aan een van mijn opvolgers, vond ik nog slechts den eenen boom terug, en wel op het punt van te sterven. Ik verbeeldde mij dat hij pijnlijk tegen mij wuifde, waaruit ik opmaak dat de genegenheid weerkeerig was, en misschien zijn de boomen wel gaan kwijnen toen en omdat ik ze voorgoed verlaten had. Hoe het zij, ik had het tweetal lief, en daar zij een geschikte gelegenheid boden om er boven in te gaan zitten, heb ik er meer dan eens een boek in gelezen, nu en dan mijn studie afwisselend met een gezonde portie kersen. Ik was trouwens de eenige niet, die de boomen en hun vruchten een goed hart toedroeg. Daar hadt ge bijvoorbeeld de vogels, die er maar niet af te houden waren, hoewel een stroopop met een oude chambercloak van mij als verschrikker in de takken hing. Het brutale goedje maakte nesten tot in de zakken van de chambercloak en als ik hun niet al de kersen wilde laten, moest ik hulptroepen laten aanrukken om ze mij te helpen oppeuzelen. Daar werd dan de leergrage schooljeugd ten strijde geroepen tot aanmoediging ook om de opgegeven gezangen en tafels van vermenigvuldiging goed te leeren. Of het dan een pret gaf! Ik in den boom en het kleine volkje eronder, en het regende kersen die in een oogwenk achter de roode lipjes verdwenen. Ik geloof stellig dat de boomen er zelf ook plezier in hadden, en dat ze daarom ook na mijn vertrek zich eenzaam gevoelden en verkwijnden.

Helaas, ikzelf kon mij soms ook zoo eenzaam gevoelen. Nee, het is wel waar, wat er in den bijbel staat, en nog wel van Adam, terwijl hij in een paradijs woonde, `het is niet goed dat de mens alleen zij.' Waarom ik dan niet? ... Maar genoeg! Ik deed mijn best met mij ook een paradijsje te scheppen in mijn tuin, doch een moeshof, want meer was het stuk grond bij de pastorie niet, leent zich daartoe niet te best. Groenten kweekte ik, soms meer dan ik op kon, maar bloemen vereischten een minder ruwen bodem. Ook had ik, behalve den arbeider die eenmaal 's jaars de bedden omspitte, geen andere hulp dan de oude Nienke, een erfstuk van een reeks van vroegere predikanten die met iets dat zij een `hank' noemde, een soort van haakvormige schoffel, een altoosdurende oorlog voerde tegen het onkruid. Voorts trok zij met woede op tegen de rupsen en slakken, welke zij later zonder het minste medelijden met een takje aan den grond spietste. Zij was een beetje onnoozel, daardoor misschien ook wel wat eigenzinnig, en bij name kon zij niet best uitstaan dat ik uit het een of andere tuinboek een nieuwigheid wilde invoeren. Dan raakte zij bepaald uit haar humeur en de vinnigheid waarmee zij dan de rupsen doodkneep en de slakken spietste, is onbeschrijflijk. Maar tegen mij heeft zij toch nooit een boos woord gesproken. Daartoe had zij te diepen eerbied voor den dominee en als zij mij op de eene of andere wijze van dienst kon zijn, ook buiten den tuin, dan was zij de gelukkigste van alle menschen. Zij was boodschappenloopster voor de boeren naar de naburige stad op marktdag, maar mijn boodschappen gingen altijd vr. En ofschoon zij er bijna geen betaling voor ontving (zij was niet geheel onbemiddeld en stelde er een eer in haar rekeningen altoos zo laag mogelijk in te leveren) zij stond letterlijk `bij nacht en ontijden' voor mij klaar. Nooit zal ik vergeten wat zij voor mij gedaan heeft toen ik eens ernstig ziek was geworden en zij iederen dag herhaalde malen den meer dan een uur langen weg naar de stad aflegde om den dokter te halen of de medicijnen en wat zij anders meende dat mij helpen kon. Brave oude Nienke! Gij zijt het geweest die mij het laatste van allen, na mijn afscheid van de gemeente, tot ver buiten het dorp uitgeleide deed, en moeite had mijn hand niet langer tusschen uw harde, bruine handen te drukken! Nu ik weer aan u denk, aan uw rimpelig gezicht, tusschen de knoppen van uw Friesch gouden oorijzer, en aan uw enigszins schuwe en toch zoo goedige oogjes, nu wordt mijn hart wezenlijk ontroerd. Veel verstand was u niet geschonken, maar wat daarbinnen zat, dat was zuiver, dat was goed. En gij hebt het wel verdiend, dat ik u in eere houd, zoo lang ik leef!

Goddank, ik had ook nog andere warme vrienden op mijn dorpje; ook in dat andere dat tot mijn gemeente behoorde, en, om de waarheid te zeggen, weet ik niet dat ik er in n van beide persoonlijke vijanden heb achtergelaten. Maar met eenigen kostte het toch wel moeite vrede te houden, en zelfs die het goed met mij meenden, hebben mij weleens, zonder het te willen, verdrietige uren bezorgd. Ik was, al zeg ik het zelf, geen slecht, althans geen traag herder. De kudde was klein genoeg om haar te overzien en dat heb ik altijd de lichtzijde van mijn werk in een dorpsgemeente gevonden. In een stad verliest men elkaar, de meeste gemeenteleden blijven ons geheel onbekend of de kennismaking is uit den aard vluchtig en oppervlakkig. Men staat, zoals de Franschen zeggen, voor een zee en er is geen denken aan om haar leeg te drinken. Doch zo'n paar dorpjes, met, alles om alles, nog geen driehonderd inwoners, leveren een veld dat men zonder gevaar voor overspanning bearbeiden kan, en er ligt dus ook niet de minste grootspraak in als ik zeg dat er geen kind in mijn gemeente was of ik kende het. Ik vond het geen onaangename bezigheid de menschen telkens weer in hun woningen op te zoeken. Meer dan een woonde veraf en modderpoelen of grondelooze wegen maakten hun verblijf van tijd en wijlen schier ongenaakbaar, maar ik was jong, en met een stevigen stok en een paar ferme laarzen, wist ik hen wel te vinden. Dn een niet al te langgerekt en opwekkend praatje en ik ging weer verder, boeken of blaadjes soms ter lezing achterlatend, terwijl ik er, natuurlijk, hier en daar had, bij wie ik graag eens een extrabezoekje bracht, omdat ik wel wist, er dubbel welkom te zijn. De laatst gehouden preek kwam daar ter sprake, een boek uit ons leesgezelschap (want het was mij gelukt iets van dien aard tot stand te krijgen), een belangrijk bericht uit de courant ... hoewel, als ik het mij nu maar niet te mooi ga voorstellen! De meesten toch lazen bitter weinig, ook van wat er in de wereld om hen voorviel. De advertenties uit de Vrijdagsche Leeuwarder Courant en de marktberichten betreffende het vee, boter, kaas en granen, dat was al zoowat het voornaamste wat hun aandacht trok ... En zoo kon het dus wel eens gebeuren dat ik, die van deze dingen weinig of geen verstand had, een beetje moeite had om het gesprek behoorlijk vol te houden. Doch nooit kwam dat meer uit dan, als zoo'n boer, die eigenlijk van niets dan van land en van koeien wist en ook in niet veel anders belangstelde, mij deftig bij zich op visite liet noodigen, wat ik, zonder onbeleefd te zijn, zelden van mij kon afschuiven. Daar zat ik dan op een mooien zomerschen dag, als de drukte van den hooitijd achter den rug was, van 's namiddags twee uur ongeveer tot middernacht in een gezelschap, waarvan de meesten niets zeiden en de spraakzaamsten zoo eens om het kwartier een opmerking maakten die al een paar malen gemaakt was, en al die uren werd er thee gedronken, koek en boterhammen gegeten, koffie gedronken en gerookt. En het ergste was nog als de flesch op tafel kwam. De boeren dronken jenever, de vrouwen iets zoetigs en de dominee kreeg wijn, maar welke wijn? O, ik heb gelezen van zendelingen die bij de Samojeden traan dronken; ook van martelaren die om hun geloofsijver den giftbeker moesten ledigen. Het werd in die heiligen geprezen dat zij zooveel voor de verkondiging van hun geloof of voor hun kerk overhadden. Ik zal mij wel wachten iets van hun verdienste af te doen. Maar mij dunkt, dan heb ik ook eenige aanspraak op uw bewondering. Want ter wille van het welzijn mijner gemeente heb ik soms wijn gebruikt, (uit dezelfde flesch, waaruit ik op de visite van het jaar tevoren ook een paar glaasjes had gehad en die al dien tijd zonder kurk of met een prop papier als stop was blijven staan). Men had de goedheid er op mijn verzoek een behoorlijke portie suiker bij te doen, maar zelfs dan nog deed het edel vocht mij aan petroleum denken (als ik voor twintig jaar tenminste al wist hoe die smaakte) of aan boenwas. Wat doet men al niet ten pleiziere van zijn medemenschen, doch ik zou soms de hele flesch hebben geledigd als ik er maar een onderhoudend gesprek uit had kunnen putte. Hoe kropen de uren dan om en wat al vliegen konden zich dan op mijn neus zetten en op mijn voorhoofd, bepareld van de inspanning over de vraag: wat zal ik nu weer eens zeggen? Mochten deze folteringen (en ik mag het toch wel noemen: mijne goede werken?) mij ten voordele komen als de balans van mijn leven wordt opgemaakt! Nochtans, het zwaarste, en ik wil hopen, het verdienstelijkste van mijn arbeid, heb ik u nog niet meegedeeld. Soms, en al te dikwijls, overkwam het mij, dat ik een kring trof, waarin een of meer het ongepast vonden, inzonderheid voor een dominee, om over iets anders dan over `het goede' te praten, hetgeen zeggen wil, dat ik het altijd hebben moest over 's menschen ellende en den in hun oog eenige weg ter behoudenis. Nu, dat was in de letterlijken zin niet uit te staan. Of ik, die toch als godsdienstleeraar mijn diensten aan deze lieden had aangeboden, en als zoodanig mij aan hen verbonden had, dan bij voorkeur over den godsdienst zweeg? Maar ik meen daareven reeds het tegendeel te hebben doen uitkomen. Het was werkelijk mijn keuze en mijn lust, bij mijn gemeenteleden zoowel als bij mij zelven een eenvoudig, rein, blijmoedig en troostvol geloof aan te kweeken, en ik achtte mij daartoe geroepen, niet alleen op den preekstoel, maar ook in den dagelijkschen omgang. Ik deed mijn best mij daarbij zooveel doenlijk te verplaatsen in den gedachtenkring mijner omgeving, hun taal te verstaan, met hun beschouwingen mee te gaan, om langs die weg het voorgestelde doel te bereiken. Doch maar al te velen bij wie ik onder dit pogen stuitte op onoverkomelijke hinderpalen!

O, met blijdschap en dankbaarheid gedenk ik hier nogmaals van de gezinnen en de harten bij wie ik aansluiting vond. Was onze opvatting over vele punten van ondergeschikt belang ook niet dezelfde (was bij name de nieuwere beschouwing van den Bijbel schier allen geheel vreemd) zij wilden in hoofdzaak toch hetzelfde als ik. Verstandige en brave voorgangers hadden niet tevergeefs onder hen gearbeid en het was een genot en voor den jongen leeraar een oefenschool, met deze, hoogbedaagden of jongeren van jaren, welgestelden of misschien geringen naar de wereld, maar nederige en hoopvolle, moedige en liefderijke zielen van gedachten te wisselen over den weg die ons door het leven gewezen is. Doch wat te beginnen, waar een eindeloos vroom gekeuvel (om een zacht woord te gebruiken), een op alle tijden - en ontijden - bij alle mogelijke en onmogelijke onderwerpen te pas - en te onpas - gebrachte behandeling van een godgeleerd vraagstuk, beschouwd werd als de roeping van den Christen, en boven alles van den Christenleeraar? Voegt daarbij dat er in den regel over hen die op dit punt het sterkst waren, iets zwaars lag, iets gedrukts, waardoor men nooit verder kwam en dat van den weeromstuit ook bij mij elke ongedwongen, natuurlijke beweging belemmerde. Ik durfde bijna niet van wal te steken uit vrees van met hen in aanvaring te komen. Kwetsen wilde ik niet, twist tot elken prijs vermijden. Misschien ook dat mijn bescheidenheid dien schoonen naam niet ten volle verdiende en wat al te ver reikte? Maar wat moest ik beginnen? Roerde ik den godsdienst aan, dan vervielen wij in een zwaarmoedig gezeur of men zweeg wantrouwend. 't Lag toch in de landaard, den vreemde met een zekere achterhoudendheid te bejegenen. Wellicht ook, of liever zeker, waren er invloeden van buiten, die het zaad van misverstand en verdeeldheid hielpen strooien. Afgescheidenen en het ultra-gereformeerdendom, dat sinds eenigen tijd ook in de groote kerk zijn hoofd weer krachtig was gaan opsteken. Doch erger schier was het nog, als ik, om alle moeilijkheden te voorkomen, of om het tenminste ergens over te hebben, mij op onzijdig gebied bleef bewegen. Allerergst wel, als ik, in opgewekte bui, aan zucht tot scherts toegaf. Zoo onschuldig konden mijn vrolijke invallen niet zijn, of ik merkte al spoedig aan strakke gezichten en oogen die gewisseld werden, dat ik heelemaal op verboden terrein was. Geen wonder: men had er, die van de leer waren, dat lachen zonde was, en dat het tenminste voor iemand, die niet volkomen zeker was van zijn genadestaat, niet te pas kwam, een opgeruimden toon aan te slaan!

Van den genadestaat gesproken: zij die zich verbeelden daarin te verkeeren, waren misschien wel het ondragelijkst. In mijn andere dorp woonde een renteniertje, oud-schoolmeester en niet onvermaard voorganger bij stille oefeningen. De neerdalende goedheid of stroopzoete minachting waarmee deze, zeer stellig uitverkorene, mij wel te woord wilde staan, zou mij zeker mijn bedaardheid hebben doen vergeten, als zij mij niet den eersten keer overbluft had (ik had nog nooit zoo'n wonder van genade ontmoet, en een Mohammedaansch priester had mij met zijn vreemde manier van doen niet sterker kunnen verbazen) terwijl zijn houding bij latere ontmoeting mij allengs al te belachelijk werd om er mij kwaad over te maken. Indien ik ooit op weg geweest ben om een Calvinist te worden, dan heeft `master Bakker' er mij van teruggehouden, en indien ik zodoende verloren ga, dan heeft hij het voor zijn rekening. Ik hoop niet dat ik er zonde aan doe, maar ik zeide, enigszins in de manier van de oud-Frieschen koning Radboud, tot mijzelven: als de Hemel bij voorkeur de woonplaats is van zulke verwaande schriftgeleerden, dan wil ik er liever nooit in komen. En ik dacht aan mijn Akademievrienden, die ook hun gebreken hadden, maar heilig nog de onbezonnenste onder hen bij zoo'n hoogmoedige Farizeer! Lieve Hemel, wat ligt er toch, zooals Paulus het noemt, een deksel op de oogen van deze soort van godzaligen, die dagelijks, wie weet hoevele uren, in (en over) den Bijbel lezen en redeneeren, en zij hebben, naar het schijnt, nog nooit iets gevoeld van bijvoorbeeld die les van den Meester: `twee menschen gingen op naar den tempel om te bidden. De een, staande bij zichzelven bad: Ik dank U, o God, noch ook als deze tollenaar. Maar de tollenaar, van verre staande, sloeg op zijn borst en ...' Intusschen, Mijne vrienden, misschien ben ik zelf bezig bij mij en U den Farizeeuwschen waan aan te kweeken die heimelijk denkt: ik dank U o God, dat ik zooveel verstandiger, verlichter, en braver ben, dan die `master Bakker' en zijn soort van uitverkorenen!

Mijn droomerij over mijn dorpje en mijn eerste gemeente loopt op een eind. Hebt ge er iets aan gehad dat ik er u getuige van maakte? Misschien, als ik wat beters had geweten om u te vertellen, dat ik dit geschrevene in de portefeuille had gelaten, of nog beter den welmeenenden raad gevolgd had van zeker recensent die een boekje, onder den titel van `uit de portefeuille' verschenen, be- of veroordeelde met een kort en krachtig: `uit de portefeuille - in de prullemand'.

Wat mijzelven betreft, mijn driejarig vertoeven in een omgeving, zoo beperkt en in alle opzichten zoo bekrompen als mijn eerste gemeente, was zeker een geweldige ontnuchtering na den in allerlei opzichten rijken tijd dien ik als student aan de Leidsche Akademie had doorgebracht. Maar achterna heeft het althans deze zegen gehad, dat het mij later niet al te moeilijk gevallen is, doorgaans tenminste, mij te schikken in een kring, waarin een ander - waarin ik althans mij vroeger niet gelukkig had gevoeld. Evenwel, laat mij nu toch niet alleen op die manier spreken. Het zou haast den schijn krijgen alsof ik daarginds niets dan narigheid ondervonden had en dat (gij hebt het toch ook al uit het een en ander kunnen opmaken), dat is volstrekt het geval niet geweest. Er zijn weldra twintig jaren over heengegaan dat ik aan de dikke klei om mijn pastorie het vaarwel toeriep, doch in al dien tijd is de vriendschappelijke band die mij aan meer dan een harer bewoners hechtte niet verbroken. Brieven en groeten worden er nu en dan nog gewisseld en dat zou zeker niet zoo zijn, als er niet ook wat goeds was geweest, voor mij en voor mijn dorpsgenooten, in mijn verkeer onder hen. Ja, ik heb het in den aanvang gezegd: `wonderlijk' kan het mij zijn als ik weer eens terugdenk aan dien, nu al zoo lang vervlogen tijd, die mij in die dagen wel eens lang wilde vallen. Nu, dit is mogelijk wel het wonderlijkste, dat ik, ondanks alles wat mij toen ontbrak en kwelde, nog wel eens met een zeker heimwee kan terugverlangen, althans naar sommige uren die ik er sleet en gezichten die ik er zag. Als een lieflijk beeld vertoont zich dan weer aan mijn geest het eenvoudige, stille avondlandschap, de frissche zomerochtend verkwikt mijn herinnering opnieuw, en boersche, maar trouwhartige stemmen wekken welluidende echo's in mijn gemoed. En zoo leer ik dan hieruit nog eens weer wat mij een les dunkt, die ook voor U eenigszins de moeite loont van mij te hebben aangehoord: dat van alles wat wij ondervinden ten slotte het goede bovendrijft. Nooit hebben wij meer tranen geschreid dan in onze eerste levensjaren; evenwel dunkt het ons soms, alsof wij nooit gelukkiger waren, dan toen moeder ons nog in den hoek zette of meester ons honderd regels opgaf. Met verrukking kunnen wij nog praten van onze kinderspelen, al eindigden zij vaak in ruzie en klappen. En zie, zoo gaat het met ieder volgend tijdperk van ons leven. Het brengt zijn lasten mee en zijn lusten, en op het ogenblik zelf schijnen de laatste meestal niet op te wegen tegen de eerste. Dan klagen en zuchten wij, maar achterna moeten wij onszelven in stilte bekennen: wij ondervonden toch ook zooveel goeds! Het verdriet treedt dan op den achtergrond, geleden smart is geen rechte smart meer en het gebrekkige schoon ontvangt, op een afstand gezien, een vroeger helaas wel eens te weinig opgemerkte bevalligheid. Gaat het zoo zelfs niet, tot op zekere hoogte althans, met onze begane fouten, onze tekortkomingen en onze zonden? Ongetwijfeld, met dezen valt de verzoening ons moeilijker. En er mag zelfs van geen verzoening sprake zijn, zoolang wij voortgaan de oude verkeerdheden te plegen. Maar hebben wij onze dwaasheden ingezien, zijn wij haar gaan bestrijden, mochten wij ze, aanvankelijk tenminste overwinnen, dan mag het ons leed doen dat wij niet vroeger wijs werden, dat de ondervonden schade niet geheel is te herstellen, dat er gedane zaken zijn die nimmer keer nemen, op den bodem van ons hart is er toch een dankbaar gevoel dat de booze, de uren van zwakheid en onwil achter, en met elke nieuwe schrede verder achter ons liggen. De tijd, niet vanzelf, maar waar wij hem ons ten nutte poogden te maken, heeft balsem niet slechts voor onze verliezen, maar ook voor onze nederlagen. En deze weldadige orde der dingen doet ons dankbaar erkennen, dat er een God is die vergeeft.

Laat ons goede moed hebben, Mijne vrienden. Ook op dit oogenblik ontbreekt ons veel. Maar als wij het hoofd omhoog houden, en na elken val weer opstaan, dan zal er een tijd komen, dat wij ook op onze beproevingen van heden en op onze misslagen van gisteren, met weemoedige berusting, neen, met hoopvollen weemoed terugzien. Want de ervaring dat zij ons niet alles konden ontnemen, en dat zij ons zelfs wat goeds moesten achterlaten, doet ons verwachten dat onze rekening wel nimmer zal uitlopen enkel op een deficit. Wat maakt men zich angstig voor een eeuwigheid? Ja, laat zich verontrusten wie niets leerde uit hetgeen hij leed, niet wijzer werd door de schade, wie zich bleef verzetten tegen elken prikkel ten goede. Maar voor hem wien het leven een school werd, een harde school wellicht, een school misschien met veel eentoonig en zeker veel gebrekkig werk, maar een school die men niet zonder er althans eenige wetenschap en enkele deugdelijke eigenschappen te hebben opgedaan, voor hem is het sein om van hier te gaan, voor hem het laatste afscheid als een bevordering tot een hoogere klasse, een nog moeilijker, niet onmogelijk, maar ook een nog vruchtbaarder onderwijs. Z willen wij het ons voorstellen, daarop rekenen, in die richting ons best doen. Heeft daartoe, althans het slot van mijn eenvoudig betoog, u kunnen aansporen? Nu, dan ben ik toch maar blij, dat ik eens met u gedroomd heb over een blad uit het boek van mijn verleden. We hebben dit uurtje dan niet verdroomd en onze slotsom is met den grooten apostel, wiens naam te dragen altoos blijke waarheid en ernst te zijn voor Onze Vereniging (Paulus). `En ding doe ik: vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij naar hetgeen vr is, jaag ik naar het (doel)wit tot den prijs der roeping Gods die van boven is.'

Kerk Foudgum